27:3=9, iedereen blij

Wanneer is een werkvorm effectief?  Als alle leerlingen meedoen? Als er een eindproduct uitrolt? Als leerlingen goed samenwerken? Als er hard gewerkt wordt? Als je hersenen hoort kraken? Als je jezelf als docent enigszins overbodig hebt gemaakt? Als leerlingen schrikken van de bel, omdat ze geconcentreerd bezig zijn? Bingo! Alle hiervoor genoemde factoren waren afgelopen lessen in mijn havo 4-klas zichtbaar. De opdracht was simpel: schrijf een betoog over een actuele maatschappelijke kwestie. De leerlingen moesten zelf een standpunt formuleren, achtergrondinformatie verzamelen en een schrijfplan maken. Dat leidde tot enkele originele stellingen: ‘de verkoop van tweedehands kleding moet gesubsidieerd worden’, ‘er moet een standaard lessenpakket ontwikkeld worden om te waarschuwen voor gameverslaving’ en ‘de profielkeuze moet minimaal een jaar later plaatsvinden’.

Triootjes betoog

Tot zover verschilt deze opdracht niet van andere schrijfopdrachten. We hadden als sectie Nederlandse taal en literatuur (van de Radbout Universiteit) echter één extra spelregel toegevoegd: je schrijft het betoog met z’n drieën. Om ongemakkelijke situaties te voorkomen moest iedere leerling twee namen opschrijven, met wie hij of zij wilde samenwerken. De docent maakte uiteindelijk de groepjes, maar elke leerling zat sowieso in een groepje bij één van de twee opgegeven namen. Leerlingen voelden zich daardoor gehoord en niemand viel buiten de boot.

Dan de werkwijze: iedere leerling schrijft individueel een inleiding, die vervolgens wordt gelezen en van feedback wordt voorzien door de andere groepsleden. Dan begint het echte werk. Samen moeten ze, in een nieuw document, tot een definitieve inleiding komen. Door discussie beslissen de leerlingen welke voorbeelden, citaten en anekdotes behouden blijven en welke sneuvelen. En dan moet het ook nog een samenhangend geheel worden wat vorm betreft. Les 2 en les 3 verlopen hetzelfde; de kern en het slot krijgen deze behandeling ook. In les 4 geven de groepsleden ieder afzonderlijk feedback op de eerste versie van een ander groepje. In les 5 verwerken ze de ontvangen feedback in hun eindversie.

Het is een waar genoegen om deze lessenreeks te draaien. Vaak stond ik onopvallend bij een groepje en legde alleen maar mijn oor te luisteren. De discussies over te kiezen voorbeelden, bepaalde formuleringen en stijlkwesties laten zien dat hier verschillende soorten kennis (spellen, formuleren, tekststructuur, argumenteren enz.) en vaardigheden (samenwerken, feedback geven, kritisch lezen enz.) werden ingezet. Ook de leerlingen die normaal niet vooruit te branden zijn, werden geactiveerd om hun steentje bij te dragen en hun mening te laten horen. Iedereen was in gelijke mate verantwoordelijk voor het eindproduct en dat creëerde een werksfeer waarin het vanzelfsprekend was om mee te doen.

Toen de leerlingen aan het einde van eerste les werden overvallen door de bel, waren er teleurgestelde kreten te horen: ‘meneer, we zitten er zo lekker in’ en ‘nu hebben we de vibe’. Was ik dan geheel overbodig tijdens deze lessenreeks? Zeker niet. Leerlingen hebben af en toe een duwtje in de goede richting nodig als het gaat om het vinden van geschikte bronnen, een bepaalde theoriepagina, een stijlkwestie of een aansporing om het niet ál te gezellig te maken (‘de tekst schrijft zichzelf niet’). Deze werkvorm laat zien dat leerlingen goed in staat zijn om opdrachten te maken waarin complexe vaardigheden gecombineerd worden, mits de werkwijze en het eindproduct helder geformuleerd zijn. En de docent? Die is trots op z’n klas, maar ook blij dat hij 27:3=9 betogen moet nakijken in plaats van 27!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *