Oefenteksten

Kies twee artikelen uit de verzamellijsten: pas daarop onderstaande vragen toe.

1. Woordenschatuitbreiding

  1. Onderstreep in de teksten vijf woorden of begrippen, uitdrukkingen die je niet volledig begrijpt.
  2. Ga nu per begrip na wat de betekenis is. Noteer eerst het woord en wat het volgens jou betekent en controleer het daarna in een online woordenboek. Vul de definitie aan als je het niet goed had.
  3. Verzin bij elk begrip een nieuwe voorbeeldzin en schrijf die op. 

2. De kern van de tekst

  1. Benoem het onderwerp. Het onderwerp formuleer je in een woord of woordgroep (géén hele zin). “Waar gaat deze tekst over?” (titel / tussenkoppen / illustraties / opvallende lettertypen)
  2. Onderstreep per tekst in twee alinea’s de signaal woorden.(Signaalwoorden verklikken het verband tussen twee zinnen of twee of enkele alinea’s.)
  3. Maak een samenvatting ( in eigen woorden!). Stel eerst het onderwerp vast en selecteer hoofdzaken. Deze moeten in de samenvatting komen. (Kijk daarvoor dus goed wat de belangrijkste zin is van een alinea.) Door te selecteren krijg je meer grip op een tekst. Bijzaken zoals toelichtingen en voorbeelden laat je weg. Wanneer je nu de titel en van elke alinea de belangrijkste zin, de kernzin onderstreept, dan heb je –als je dat allemaal achter elkaar leest- vaak al een goed beeld van de hoofdzaken van deze tekst.Hierna schrijf je van de onderstreepte zinnen in eigen woorden weer een nieuwe tekst. Zorg dat die nieuwe tekst een logisch verhaal is en geen vragen openlaat. Je mag de ordening van de oorspronkelijke tekst veranderen en je eigen woorden gebruiken.Over het algemeen wordt er een maximaal aantal woorden gegeven. Zo niet, dan bevat een goede samenvatting ongeveer 10% van het aantal woorden van de oorspronkelijke tekst.
  4. Benoem de hoofdgedachte. “Wat wil de schrijver met deze tekst zeggen?” Oftewel: wat zegt de schrijver, in één hele zin, over dit onderwerp? De hoofdgedachte leid je af uit de hoofdzaken. Formuleer je antwoord op zo’n manier dat het duidelijk is voor iemand die de tekst helemaal niet heeft gelezen..
  5. Op welke manier trekt de schrijver de aandacht in de inleiding? (Bijvoorbeeld met een anekdote, een vraag, aankondigen van het onderwerp, etc.)
  6. Waarmee sluit de schrijver af? (Bijvoorbeeld met een samenvatting, een conclusie, een oproep, etc.)
  7. Wat is het tekstdoel?
  8. Welke tekststructuur is (vooral) toegepast ?
  9. Welke tekstsoort is dit?
  • Peerfeedback : Lees één artikel van jouw studiegenoot (in het alfabet komend na jou) en geef feedback op de gegeven antwoorden vanuit de behandelde theorie.

Artikelen (meer artikelen vind je onder Schrijven artikelenbank)